
Herinneringen aan Terwolde
Lucia interviewt haar vader Gerrit Lubberts voor Dit is Terwolde
Voor Dit is Terwolde ben ik (Lucia Kiesbrienk) met mijn vader, Gerrit Lubberts (1940), gaan zitten om verhalen op te halen over zijn jeugd in het dorp waar hij geboren is. Met oude foto’s op tafel kwamen herinneringen los — over familie, werk, buitenspelen, de IJssel en de plekken waar hij als jongen altijd te vinden was. Het werd een tocht door de geschiedenis van onze familie, die al generaties lang bij Terwolde hoort.
Wonen aan de Dorpsstraat
Mijn vader groeide op aan de Dorpsstraat – toen s161, nu nummer 39 – bij mijn overgrootouders Jan Willem Hartgers en Willemina Bruin, die daar een manufacturen- en kleingoedwinkel runden. Hij woonde met zijn ouders bij mijn grootouders in.
Zijn vader, mijn opa, kwam van boerderij De Kleine Speelbrink aan de Roozendaalseweg nummer 8 en begon klein in de fruitteelt: bomen planten, snoeien en het bespuiten van boomgaarden. Dat werk breidde zich steeds verder uit, tot zo’n tachtig hectare hoogstamboomgaarden die meerdere keren per jaar werden behandeld. Mijn vader Gerrit is naar zijn grootvader vernoemd.
Spelen in een andere tijd
Speelgoed was schaars. De eerste “voetbal” waar mijn vader mee speelde, bestond uit hooi, kranten en touw. Later kwam er een leren bal, maar de bal waar alle jongens het meest trots op waren, was de opgeblazen varkensblaas na de jaarlijkse slacht.
Tijdens de oorlog doken er opeens twéé varkensblazen op. Dat viel al snel op: in die tijd mocht elk huishouden maar één varken slachten. Een onbekende meneer stond niet veel later op de stoep — iets waar mijn vader nog altijd om kan lachen.

School en zwemmen in de IJssel
Mijn vader ging in Terwolde naar school. In de lokalen stonden kolenkachels en in de gang lag het kolenhok.
Schoolzwemmen gebeurde in de IJssel. Eerst oefenden de kinderen droog op de vloer, daarna mochten ze met een touw om hun middel het water in. Wie het goed kon, mocht verder: naar het pierenbad en uiteindelijk de rivier in.

Avonturen bij Matanze
Als jongen was mijn vader vaak bij Landgoed Matanze en bij de oude melkfabriek te vinden. Regelmatig kregen de jongens de jachtopzichter achter zich aan, vooral als ze fazanten probeerden te vangen. Ze lieten mais weken in jenever, zodat de fazanten wat slaperig werden en zich makkelijk lieten pakken.
Ook vissen in de kolk hoorde erbij. Voor één dag vissen moest er wel een vergunning worden gehaald bij meneer Servatius. Mijn vader herinnert zich nog hoe ze met de pet in de hand voor de grote deuren stonden.
Zelf ken ik die kolk ook goed. Toen ik daar als kind een keer met brood aan mijn haak stond te vissen, hapte er geen paling maar een eend toe. Een vismoment dat ik nooit vergeten ben.
Verbonden door verhalen
Jaren later werkte ik bij de B&B op Landgoed De Matanze en sprak ik gasten die vertelden dat hun opa vroeger huisarts in Terwolde was: dokter Pot. Dat was een naam die ik kende van oma. Samen met de gasten haalde ik herinneringen op aan het houten huis (dat tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw aan de Dorpsstraat stond tegenover het huidige Brasserie Kriebels), de wachtkamer en het luikje waar mevrouw Keestra zat.
Tijdens dat gesprek moest ik denken aan het verhaal dat mijn oma altijd vertelde: hoe mijn opa in de oorlog brandstof voor de dokter wegbracht, verstopt in een kleine melkbus. Zo kon dokter Pot zijn bezoeken op de motor blijven doen zonder dat de Duitsers het merkten. Het was bijzonder om dat verhaal via een heel andere kant opnieuw te horen.
Winter op de schaats
Schaatsen leerde mijn vader op de Anken, op de uiterwaard tegenover Café Roeterdink op de Bandijk. De kolk was in de winter ook een geliefde plek; met lantaarns langs de kant kon er tot ’s avonds worden geschaatst. Mijn opa was voorzitter van de schaatsvereniging, waardoor ook ik later tussen dezelfde tradities ben opgegroeid.
Ik zie het koek-en-sopiehuisje zo weer voor me, de warme ketel chocolademelk op de houtkachel en mijn houten schaatsjes die vastgeknoopt zaten onder mijn regenlaarzen. Bij wedstrijden stond opa altijd klaar bij de finish met een Mars of een rol drop.
“Mooie tijden,” zeggen mijn vader en ik vaak tegen elkaar. En dat zijn het ook — herinneringen die blijven, van generatie op generatie.

